Zin
Zinnen die zonder verhaal overeind blijven (hoop ik):
In de luwte van een festival oreer ik biertjes in mijn mond terwijl ik citeer uit boeken die ik nooit heb gelezen, maar dat maakt niet uit, omdat de kaarsjes langs de kant van de weg zijn gaan branden en omdat er zo meteen vast wel een tentje zal zijn dat me lokt met lome klanken, daar binnen zal ik even vergeten dat er voor mij niets is om te vergeten en zal ik mij in een belangrijk, druk leven wanen.
***
De dagen doen geen moeite nuttig te zijn, de uren accepteren dat ze voorbijvliegen zonder dat ik een revolutionair idee opschrijf of een hart verover, zelfs de minuten hebben er geen problemen mee dat ze van geen enkele waarde zijn, want in deze vakantie is een minuut rekbaar, zoals alles rekbaar begint te worden.
***
Aan de Schelde zitten een vader en een zoon, hoe langer ze daar zitten, hoe minder toeristische bezienswaardigheden ze bekijken – voor hen geen Antwerpse Zoo, noch een mooie kathedraal, omdat ze aan dit water geschiedenis schrijven met een blikje bier zonder foto’s te maken en zonder dat hun voeten de maat van een mooi leven aangeven, want die voeten hangen in de diepte en wijzen op het water dat voorbij stroomt.
***
Ik wil mijn mp3-speler opzetten, op mijn fiets stappen en doorfietsen, vliegjes in mijn ogen, doorfietsen, zure benen, doorfietsen, ondergaande zon, doorfietsen, honger, doorfietsen, aankomen in een dorp waar niemand mij kent en iedereen mij wil kennen, afstappen, douchen in een louche hotel, slapen, wakker worden en opnieuw fietsen tot ik aankom op een plek waar ik vergeet dat er mensen sterven en dat er vanmorgen geen briefje met: ‘Lief, ik ben zo terug met perziken, houd je het bed warm?’ op mijn nachtkastje lag.
***
Ik proef een rottend lijk, iemand verwart mijn hoofd met een trampoline en de geur van schrale troost dringt zich als een breezerslet aan mij op, waarna mijn conclusie dezelfde is als die van gisteren: nooit meer zal ik mij aan de hand van het rood aangelopen duiveltje op mijn schouder laten meevoeren naar de wereld waarin het bewustzijn een relatief begrip is en de bodem van de fles een heilig doel.
***
Sommige plekken hebben zo’n onuitwisbaar platina indruk op mij gemaakt, dat ik ernaar verlangde ze te delen met mijn dierbaren en als we daar dan stonden, mijn zielsverwant, bloedverwant of anderszins verwante en ik, besefte ik dat de locatie waarop wij ons bevonden, die zo diep in mijn wezen gekerfd stond, niets meer was dan een decor en dat de plek op zich niet magisch was, maar dat wat ik daar beleefd had – liefde, emotionele houdgreep, verheldering of vertroebeling – niets te maken had met de plaats, dat ik als een Pavlov-hond onterecht het verband had gelegd tussen positie en geluk.
***
Soms wilde ik rivieren tegenhouden, dan schreeuwde ik mijn keel kapot hopende dat ze stopten met stromen, maar nooit slaagde ik, aan de andere kant waren er dagen in de zon, waarop ik naar niets verlangde en alles zich plotseling als vanzelfsprekend met een neusbevredigende geur en een allesontspannende soepelheid aan mij ontvouwde: wilskracht is nog altijd zwakker dan het achteloze oerinstict van het toeval.
***
Altijd wanneer wij in onze gehuurde auto, die stonk naar nieuwigheid, verse gelukstranspiratie en broodjes pindakaas, de Drôme binnenreden, voelde ik mij een sentimentalist, omdat ik overstroomde, zeker wanneer Aznavour op dat moment Emmenez-moi uit de boxen spoog en jij hand op mijn been legde, zacht door je brok heen mompelde: ‘We zijn thuis.’
***
Het zonder gêne zingen, het naakt laveren, het stille genieten, ik wil niet dat wij het ooit samen kunnen, omdat schaamte en terughoudendheid oneindig veel beknellender en daardoor spannender is dan muffe vertrouwdheid, omrand door een gedeelde bankpas en uniseks fleecevesten.
***
Zonder dat de oogbezitter het beseft, kan zijn blik priemen, omdat in zijn brein borrelende bezigheden zich voltrekken, waardoor de persoon tegenover hem van mens tot abstract voorwerp gereduceerd wordt, hoewel abstracte voorwerpen hoogst zelden rood aangelopen tot de ogen van starenden zwaaien en ‘Hé,’ roepen.
***
Ik overwoog een vieze fles wijn te kopen en die leeg te drinken, zodat ik de dag erna slapeloos mijn eerste college zou volgen, maar deed het niet – de strenge woorden van een moeder boren zich pas een weg door een puberpantser, wanneer zij hem thuis stil mist, omdat hij voor het eerst van zijn leven zijn benen een noemenswaardige taak geeft: erop staan.
***
Zwijgend verkent zij de hoeken van dit voor haar nieuwe gebouw, zodat zij haar leven als studente daar kan doorbrengen, terwijl om haar heen arrogante, zelfverzekerde en opzichtig knappe adolescenten hun bestaan aan de wereld opleggen – geen geschreeuw voor haar, niets meer dan een hoek wil zij, mensen die er werkelijk toe doen zoeken haar op in die hoek en lachen met haar om de dwaasheden van de anderen, terwijl ze van binnen verlangen de protserige facades van de blaaskaken met één woord de geschiedenis in te blazen.
***
Naakt op een bureaustoel typ ik dat ik van je houd, maar snel vinden mijn vingers de backspace-toets, omdat getypte liefde nooit kinderen zal baren – mag ik als ik aangekleed ben een stukje taart, of wil je dat van jou het jouwe houden?

4 reacties
Ga naar reactie formulier | comment rss [?] | trackback uri [?]