Verdwaalde verhalen

Hier vind je verhalen van voor het bestaan van deze site, of verhalen waarvan ik vergeten ben ze gemaakt te hebben.

Leesmeisje
fragment uit alweer een onvoltooide novelle

De vezelverzengende aanblikken van leesmeisjes vormden Jari’s mooiste momenten. Hoe hij hen zag zitten op het uur dat laveloze types sliepen en vrouwen met praktisch haar hun kinderen temden. Het liefst met hun benen opgekruld, weggekropen in de hoek van een bank die ver verwijderd staat van alle andere ameublementen in het betreffende etablissement. Of, nog beter, opgekruld op diezelfde bank in diezelfde tent, maar dan met hun laarzen uitgetrokken. Dat die sneeuwtrotserende voetomhulsels staan uit te dampen terwijl het leesmeisje op haar onderlip bijtend een pagina omslaat.
Precies zo had hij Berber voor het eerst gezien: nadat hij met zijn ouders door zijn nieuwe woonplaats was gewandeld, belandden ze in een eetcafé, waar Berber achterin één geworden was met haar boek. Ze keek niet op toen Jari haar stokstijf aanstaarde. Haar tenen, van de buitenlucht gescheiden door pantykousjes, boog zij af en toe. Zij was magischer dan ieder meisje dat hij in zijn geboortestadje in het oosten had gezien.
Welk boek zij las, kon hij niet zien. Op het moment dat hij het leesmeisje met een stille stap wilde naderen, sprak zijn vader: ‘Jari, er is een tafeltje vrij. Hier.’
Ach, zijn vader.
Hij was de man die hij op zijn verjaardag een handdruk gaf en een fles wijn. Zelfs een mannenknuffel was er niet bij. Hun gesprekken waren uitwisselingen van observaties.
‘Leuk café, dit.’
‘Ja pap.’
‘Mooie menukaart.’
‘Klopt, mam.’
Mam, de vrouw die hem in zich gedragen had. Drie kussen kreeg zij, als ze jarig was. Zijn opvoeding was praktisch geweest: regels in plaats van overduidelijke onvoorwaardelijke liefde. Geld kreeg hij wel van hen, maar geld was een verzameling illusies.

Ze zaten aan de tafel, vader achter een tosti, moeder een broodje gezond. Er werd sporadisch gesproken, Jari’s ogen concentreerden zich op het leesmeisje. Ze bestelde nog een kop koffie en probeerde pijpenkrulletjes in haar haar te maken. De onderkant van haar broek was gerafeld, haar neus had persoonlijkheid. Ze blies even op haar koffie en keek op van het kopje. Jari dwong zijn blik af te dwalen en stelde zijn vader voor dat de rekening voor zijn zoon was.
Daar kwam niets van in. De hulpeloze hoffelijkheid van een man die alleen met geld zijn zoon zijn zoon kon laten zijn. Hij accepteerde het geld gelaten en ging zelf afrekenen – welke excuses een man verzint om een mogelijke muze van dichtbij te zien. Hij wachtte tot hij werd geholpen terwijl hij aan het einde van de bar stond. Het leesmeisje legde haar boek neer, het leek of ze merkte bekeken te worden. Jari richtte zijn aandacht op het barmeisje, dat uit de klei was getrokken en vervolgens geplamuurd was (sommige geelwitte koppen van puistjes staken door de foundation heen, als een berg boven de wolkengrens).

Ze liepen het eetcafé uit. Het leesmeisje trok de mouwtjes van haar shirt op en bleef zitten waar ze zat. De bank achterin was voor haar gemaakt, hij stelde zich voor dat zij er ’s nachts op sliep.
Dat ze zich omdraaide en een geluidje maakte.
Vaders hand gedrukt, moeder een nepkus: wangen die elkaar een halve seconde raken en vervolgens huns weegs gaan. Op een dag zou hij hen bezoeken, beloofde hij. Geen vuile was in zijn rugzak, maar een spel om de tijd te doden. Terwijl hij naar huis fietste, fantaseerde hij dat het leesmeisje op zijn bank zat. Dat af en toe grinnikte om wat zij las en die zinnen dan aan hem voorlas. ’s Avonds zouden ze rode wijn drinken, zij bleef continu lezen. Als ze in slaap gedommeld zou zijn, legde hij een dekentje over haar heen en kuste hij haar voorhoofd. Hij zou naar boven gaan, leesmeisjes lenen zich niet voor loeiende seks, daar staan zij boven.

Eva

Fragment uit de novelle-to-be Balorig (Ja dat is de werktitel, ik verzin nog wel iets beters.) Voor het hele verhaal kun je me mailen (heb je mijn e-mailadres niet? Zorg dan dat je het krijgt.)

Wil je nog wat drinken?’ vraag ik.
‘In jouw huis?’
‘Ja, waarom niet?’
‘Omdat schrijvershuizen altijd holen zijn waar nooit licht komt en die stinken naar rook en drank.’
‘Ik rook niet.’
‘Lekker, heb je cappuccino?’
‘Met een likeurtje?’
‘En zonder likeurtje?’
‘Nee, dat niet.’
‘Het is koud, doe de deur open.’
Ze kijkt rond, wandelt onderzoekt mijn huis. Zoekt naar dingen die erop wijzen dat ik een schrijver ben. Rommel, lege flessen, vieze boeken, stof.
Ze gaat zitten, onder de indruk van de mate van verzorging van mijn huis.
‘Ga zitten,’ zeg ik.
‘Neem je mijn jas niet aan?’
Die prachtige verontwaardiging.
‘Leg maar naast je,’ zeg ik vanuit de keuken, zoekend naar de cappuccinopads.
‘Ha! Dus toch niet netjes!’
‘Denk je dat je lang zult blijven, dan?’
Het blijft even stil, dan, weer verontwaardigd: ‘Nee.’
Ik schenk de cappuccino in, ga naast haar zitten, sta op en haal drank uit de kelder. Glaasjes uit de keuken.
Als ik weer naast haar zit, loopt ze naar de radio en zet een CD op.
‘Vrijpostig,’ zeg ik, nippend aan mijn whisky.
Het is Jacques Brel die zingt. Over een vrouw, denk ik.
Ze gaat zitten, drinkt de cappuccino en staat weer op, nadat ze een slok heeft genomen.
‘Suiker,’ zegt ze.
‘Suiker,’ zeg ik.
‘Je bent vervelend,’ zegt ze.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Omdat je uitstraalt dat je me wilt. En omdat ik niet weet wat ik daar-mee moet.’
Ik bloos, nip, zeg niets.
‘Het probleem is niet dat jij míj uit je hoofd moet zetten, maar dat ik jóu uit mijn hoofd moet zien te werken,’ zegt ze.
Ze slaat haar cappuccino en haar borrel achterover en trekt haar jas aan.
Ze loopt naar de kamerdeur.
‘Tot ziens, Meinoud.’
Ze slaat de deur dicht. Doet de deur weer open, loopt naar me toe. Ik zit stil, doodstil, word warm. Ze staat voor me en buigt voorover. Mijn hersenen doen het niet meer. Haar lippen komen dichterbij. Een kus, heel even. Mijn handen trillen.
‘Tot ziens,’ zegt ze.
Jacques Brel zingt. Over een vrouw, denk ik.

***

Brief

Liefste,

Als je nog zou leven, zouden we vandaag naar het strand gaan, dat weet ik zeker. Jij zou achterop mijn fiets mogen en onderweg zouden we heel hard zingen. Op het strand zou je de hele tijd naar andere mannen kijken en ik de hele tijd naar andere vrouwen. Als jij een mooie man zag, zou je zeggen:
‘Kijk lief, die weet wel wat een sportschool is.’
Ik zou een likje van mijn ijsje nemen en dan zou ik je kietelen, tot je buik pijn zou doen van het lachen. We zouden praten over waarom we van elkaar hielden. Eerst zou ik iets moois aan jou moeten noemen, en dan jij iets moois aan mij. Daarmee zouden we doorgaan, tot we in bizarre complimenten zouden vervallen.
‘Als jij op je buik ligt en een tijdschrift leest, vind ik het altijd zo schattig als je geïrriteerd een bladzijde omslaat.’
Dan zouden we naar Eddy gaan, Eddy die de lekkerste mosselen van de wereld voor ons zou koken. Jij zou aangeschoten raken van de witte wijn en ik zou je mijn frietjes voeren. We zouden ontzettend lang aan tafel blijven zitten en elkaar minutenlang aankijken. Onder tafel zouden we voetjevrijen en jij zou mijn slippers met je blote voeten uittrekken (bij het binnenkomen zou je je witte zomerschoenen aan Eddy hebben gegeven, waarna hij gelachen zou hebben en ons gezegd zou hebben dat ons tafeltje vrij was.) Als iedereen weg zou zijn, zou Eddy de tent dichtgooien en zijn gitaar tevoorschijn halen. Jij zou tegen Eddy zeggen dat je de situatie wel erg kitscherig vond, waarop je, om de kitsch te bestrijden keihard boeren zou gaan laten. Eddy zou zich daardoor ongemakkelijk gaan voelen. Ik zou hem sussen, jij zou nét iets te ver heen zijn om zijn subtiele ongemakkelijkheid nog waar te nemen. Als Eddy even naar de wc zou zijn, zouden we speculeren over Eddy’s ideale vrouw en zoals altijd zouden we tot de conclusie komen dat Eddy stiekem homo is. Als we ons rozig zouden beginnen te voelen, zouden we naar huis fietsen, nadat jij Eddy net iets te lang omhelsd zou hebben. Hij zou zich opnieuw ongemakkelijk voelen en ik zou hem weer sussen, waarna ik hem zou optillen (hij zou zwaarder zijn dan normaal.)
Op de fiets terug zouden we zwijgen. Jij zou af en toe in mijn rug porren en ik zou dan niet reageren. Thuis zouden we snel de gordijnen dichtdoen en ik zou je uitkleden. Ik zou je kussen, jij zou giechelen.
Na afloop zou ik je op mijn rug nemen en je naar bed brengen. Midden in de nacht zou ik wakker worden en ik zou zien dat je in je slaap smakgeluidjes maakt. De volgende ochtend zou je wakker worden, en je zou blaken van gezondheid. Je haar zou glanzen.

Als je dit zou kunnen lezen, denk ik dat je me het liefst voor mijn kop zou slaan. Meteen nadat de dokter – die lul met zijn veel te frivole kapsel – zei dat het niet lang meer zou duren, was je er al heel duidelijk over:
‘Als ik dood ben, wil ik niet dat je verwordt tot een treurende weduwnaar. In godsnaam, ga leven. Ga leven, omdat ik dat straks niet meer kan.’
Ik vond dat zulke mooie woorden, toen. Nu schrijf ik brieven aan een dode. Elke dag als de post op de mat valt, geloof ik oprecht dat er een brief van jou bijzit. Dat jij dood bent is namelijk moeilijker te bevatten dan het gegeven dat een dode brieven schrijft.

Ik hou van je.

***

Licht

Als de lamp aangedaan wordt, is het of de zon op me afkomt, alleen dan zonder warmte
Koud. Fel. Een dikke man stampt wat rond en rookt een sigaret. Geen idee waar ik ben. Ik ben nat, dat weet ik. Mijn broek schuurt bij mijn dijen. Een hoofdwond, voel ik. Ik zie een lege ruimte, zonder ramen, met een lamp in het midden. Een lamp die me zou moeten intimideren (dat lukt, blijkbaar nog nooit van spaarlampen gehoord, die eikels). Ik voel me als een acteur in een B-film. Over een minuutje zegt de regisseur ‘Cut,’ en halen ze de ketchup van mijn hoofd. Het begint te plakken. Ik doe mijn ogen zo ver mogelijk open. Dat doet pijn, omdat ze nog gewend zijn aan de duisternis. Ik hoopte dat het openen van mijn ogen ertoe zou leiden dat ik zou ontwaken. In mijn eigen bed. Het zou naar croissants ruiken en ik zou klassieke muziek vanuit de kamer horen. Mijn dagdroom wordt uit mijn hoofd gerukt door de dikke man, die zijn sigaret op mijn arm uitdrukt. Omdat ik weet dat hij wil dat ik schreeuw, schreeuw ik niet. Hij spuugt op mijn blote voeten (ik besef nu pas dat ik geen schoenen draag)
‘Ja joh,’ zeg ik, ‘Ga gerust je gang.’
Ik ben cynisch, door het onwerkelijke karakter van de situatie waarin ik me bevind. Ik bekijk de dikke man. Hij moet zich scheren, wassen, zijn nagels knippen, zijn neushaar trimmen, zijn oorhaar trimmen en zijn tanden poetsen. De overall die hij draagt, is te kort voor hem. Ik zie zijn beenhaar, dat boven zijn grijze sokken uitkomt. Hij loopt op me af en knielt voor me neer. Mijn eerste ingeving is om hem neer te slaan, maar dan zie ik zijn pistool.
‘Wil je weg?’ vraagt hij.
‘Prima naar mijn zin, hier.’
Het verbaast me dat de man Nederlands is. Zijn uiterlijk en de kamer waarin ik ben, doen Russisch aan. Misschien komt dat, omdat ik nog denk in ouderwetse Koude-oorlogpatronen: ‘De Sovjets zijn slecht, mocht je ooit ontvoerd worden, dan zullen zij het wel gedaan hebben.’ Een zin die mijn vader uitgesproken zou kunnen hebben.
‘Je mag weg, hoor,’ zegt hij. ‘Alleen even zeggen wat we willen weten.’
‘Aardappels en andijvie met een karbonaadje,’ probeer ik.
Hij lacht niet. Zijn bergschoen raakt mijn voet. Het kraakt. Tranen. Ik schreeuw, zo hard ik kan. Ik sta op, wordt in de stoel geduwd en de dikke man gaat bij me op schoot zitten, met zijn buik tegen de mijne. Hij kust mijn voorhoofd en fluistert: ‘Jouw naam is Hans van Bergen, jij bent vierendertig jaar en je hebt twee schatten van kinderen. Jij hebt vroeger iets heel stouts gedaan. En stoute dingen, daar moet je voor gestraft worden, anders leer je ze nooit af.’
Het wordt wazig voor mijn ogen. Ik probeer te bedenken wat ik gedaan heb, maar word constant afgeleid door de enorme pijn in mijn voet. Mijn hoofd en de brandwond van de peuk op mijn arm voel ik amper, mijn voet overheerst alles.
‘Denk jij maar eens goed na, Hans.’
De man stopt zijn pistool in mijn oor en stampt keihard op mijn andere voet. Ik word erg licht in mijn hoofd, en het zinnetje:’Jij kan toch geen pijn hebben, papa?’ dat Loek gisteren (was het gisteren?) tegen me zei, schiet door mijn hoofd.
‘Anders zou je kunnen proberen te gaan hinkelen,’ zegt de man. ‘ En dat is zonde van de vloer. Komt er allemaal bloed op. Ik heet trouwens Wessel, dan weet je dat.’
Hij slaat de deur achter zich dicht en het licht gaat uit.

***
Kluit

‘Mijn leven is een kluit.’
Het was de eerste zin die ik uit haar mond hoorde komen. Ze lachte erbij en nipte aan haar wijn. De afdruk van haar lippenstift zat op haar glas, haar mascara was hysterisch uitgelopen. Het was duidelijk dat ze gehuild had.
‘Vanwaar die informatie?’ vroeg ik. Ze begon te lachen en pakte een sigaret. Tot nu toe paste ze prima binnen mijn clichébeeld: een dertiger met chaos in haar hoofd en een Marlboro in haar hand. Ik bestelde een biertje en lachte wat met haar mee.
‘Ga je nog medelijden tonen, of hoe zit dat?’ Het wijntje dat ze gedronken had, was duidelijk niet haar eerste.
‘Ben je alleen?’ vroeg ik
‘Wil je met me naar bed?’ vroeg ze.
Ik voelde me rood worden en ze kneep in mijn wang.
‘Jochie toch,’ ze keek bedenkelijk. ‘Ik moet dit niet doen, hè? Zeg even dat ik dit niet moet doen. Niet in een café tegen een wildvreemde, veel te jonge jongen zeggen dat mijn leven een kluit is.’
‘Doe wat je wilt,’ zei ik.
‘Rook je?’
‘Nee,’ zei ik. Ze gaf me een sigaret en ik stak hem aan.
‘Niet zeggen dat je niet rookt als ik kan zien dat je dat wel doet.’
Het was even stil, en we kregen allebei tegelijk hetzelfde idee.
‘Sam.’
‘Linda.’
‘Linda, waarom is je leven een kluit?’ vroeg ik op een quasigeïnteresseerde manier, terwijl ik ondertussen de borsten van het jonge meisje dat achter haar stond, bekeek. Het waren mooie borsten, dat moet gezegd. Die van Linda waren, ondanks dat ik haar niet ouder dan een jaar of dertig schatte, vergane glorie. Ze dacht na en zei toen, op een manier die ik het best als plompverloren kan beschrijven:
‘Het leek me een leuke openingszin.’
‘Zit er een kern van waarheid in?’
‘Alles hangt er een beetje bij. Een onsamenhangende massa, dat is mijn leven.’
‘Man weg, zeker?’
‘O, Jezus, is het al zo erg dat je dat aan me kunt zien?’
Ik haalde verontschuldigend mijn schouders op en bestelde een wijntje voor Linda.
‘Gaan we romantisch doen?’ vroeg ze beschuldigend.
‘Ja,’ zei ik en we proostten. ‘Geen idee waarom ik dat zei.’
Linda begon weer te lachen en zei nogmaals dat ik veel te jong was. Ik vroeg haar om mijn leeftijd te schatten. Werkt altijd goed om laat op de avond beschonken wildvreemde mensen te laten gokken hoe oud je bent.
‘Negentien.’
‘Heb ik zo’n babyface?’ vroeg ik.
‘Blijkbaar.’
‘Vijfentwintig,’ zei ik.
‘Dan ben ik maar een jaartje ouder,’ zei ze. ‘En nu niet zeggen dat ik een uitgezakte rotkop heb, ik heb gewoon iets te veel geleefd.’
‘Jij bent een dramatisch type, Linda. ‘Mijn leven is een kluit,’ zeg je. Je zegt: ‘Ik heb gewoon iets te veel geleefd.’ Je bent net een romanfiguur.’
‘Nee, ik ben veel te oninteressant.’
‘Zie je, nu doe je het weer. Je spreekt zinnen uit die gewone mensen niet uitspreken, tenzij het in een script staat.’
Linda nam nog een sigaret en ik kon aan haar tanden zien dat ze een kettingroker was. Het was even stil en we luisterden naar de muziek die opstond.
‘Tyfusherrie,’ zei Linda.
‘Ja,’ zei ik.
‘Ik heb niet het idee dat wij ons fysiek tot elkaar aangetrokken voelen, Sam,’ zei ze. Het klonk als een omroepbericht op een treinstation.
‘Ik ook niet. Vind je me daarom dan tijdverspilling?’
‘Ja, eigenlijk wel. Ik wil vanavond heel graag naar bed met een leuke man, waartegen ik morgen mijn levensverhaal kan vertellen. Lekker dramatisch.’
‘Zal ik dan maar weer gaan?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei ze.
We zoenden.

De volgende ochtend werd ik wakker van de geur van sigarettenrook. Linda.
‘Ik mag wel roken, toch?’ vroeg ze.
‘Nee,’ zei ik.
‘Jammer,’ zei ze en ze gaf me een sigaret. Ik hoestte toen ik hem opstak.
‘Liggen we dan,’ zei Linda. ‘Mijn levensverhaal, dan maar?’ vroeg ze bijna wanhopig.
‘Doe maar,’ zei ik, terwijl ik rechtop ging zitten.
Toen ze klaar was met vertellen, snapte ik haar. Haar leven was een kluit.

***

Een drieluik over vergande glorie en aan de horizon glorende hoop.

Man I

Je loopt naar buiten en het interesseert je niet zoveel dat je sokken draagt in je slippers. Je wappert wat met de envelop, waar een enquête van Greenpeace in zit die je vanmiddag uit verveling hebt ingevuld. Je doet de brief op de post, maar je hebt eigenlijk helemaal geen zin om terug naar huis te gaan en daar de hele avond voor de tv te hangen en te veel chips te eten, om vervolgens te laat naar bed te gaan, terwijl je morgen moet werken. Er is geen garantie van een geslaagde avond in dit stomme stadje en al helemaal niet op zondag. Je krabt op je kop, waardoor je futloze haar door de war gaat en je begint te lopen. Je zal lopen tot je iets leuks ziet, neem je je voor. Alle dingen die je ziet, overtuigen je ervan dat je nooit in dit kutplaatsje had moeten gaan wonen. Vrouwen met kort haar die met rode hoofden en in rode jassen te hard fietsen, mannen met spencers, bejaarden die tergend langzaam met hun rollator over de stoep schuifelen – in hun ogen lees je dat ze geen idee hebben waar naartoe ze op weg zijn – een enkel kind dat gepest wordt op school en daarom in zijn eentje een lange fietstocht maakt.
Geen leuke dingen dus.
Je hebt geen zin om terug te gaan, je moet nu doorzoeken tot je iets leuks vindt.
Je loopt.
Het begint af te koelen, als de wind even kracht zet, krijg je kippenvel en je rolt de mouwen van je overhemd uit. Er zit een vlekje op je linkermouw, zie je. Je spuugt op je vinger en met het spuug probeer je de tomatensaus – want dat is het – van je mouw te krijgen, maar het oranje monster verdwijnt niet in de zwarte achtergrond.
Je ruikt dat er gebarbecued wordt en loopt door.
Je denkt niet aan zomeravonden met vrienden die je nu niet meer hebt, je denkt niet aan voetbalwedstrijden die je in de avondzon hebt gespeeld, toen je nog niet rookte en te veel dronk, je denkt niet aan je middelbare schooltijd – je was een briljante leerling, maar werkt nu toch als administratief medewerker op een zieltogende basisschool – en je denkt vooral niet aan de vrouw wiens haar glom in de zon en wiens kinderen jij niet meer mag zien, omdat je ‘als vader geen goede invloed’ zou hebben.
Sindsdien is jouw bed van jou en van jou alleen.
Bij de bushalte zit een meisje, ze luistert muziek en draagt een grote zonnebril. Je denkt dat dat mode is. In je goede jaren had je haar kunnen versieren, denk je. Als je een tienerzwangerschap had veroorzaakt toen je nog geen echte baardgroei had, zou het meisje dat daar zit daar het resultaat van kunnen zijn. Dan begint er iets te kriebelen, onderin je buik.
Er verschijnt een glimlach op je gezicht.
Zou je het nog kunnen? Het cynisme dat je al jaren koestert, zou je overboord moeten zetten en je zou bovendien een hand door je haar moeten halen. Je haalt een hand door je haar.
God, nu je iets dichterbij komt, zie je dat ze amper twintig jaar is. Je begint te twijfelen, maar toch kriebelt het nog in je buik.
Je gaat naast haar zitten, gewoon naast haar zitten, zoals iemand naast iemand gaat zitten bij een bushalte als hij met de bus moet. Het vervelende is dat de bus nu komt en dat zij aanstalten maakt om in te stappen.
Je hebt gelukkig je portemonnee met strippenkaart bij je en stapt de bus in.
Je gaat achter haar zitten en als je na drie minuten een onderbuikgevoel hebt dat je weer herinnert aan je gloriejaren, van schitterende scharrels, de jaren waarin jij een vrouw al voor je had gewonnen voor je haar had aangekeken. Nog even twijfel je en doe je moeilijk en denk je rationeel en schaam je je voor je slippers.
Dan sla je toe.
Je gaat tegenover haar zitten en zegt:
‘Hoi.’
De blik waarmee je het zegt is de blik waarmee je de helft van alle vrouwen waarmee je hebt geslapen, voor je hebt gewonnen. De andere helft heeft jou gewonnen, door hees in je oor te fluisteren dat je een leuke lach hebt, door je uit het niets te zoenen, door in het voorbijgaan in je kruis te grijpen, of op een andere manier die lang niet zo heldhaftig is als hoe jij dit meisje voor je probeert te winnen.
‘Hoi,’ zegt ze en ze zet haar zonnebril af.
Bruine ogen.

***

Man II

Je vervloekt jezelf omdat je een frikadel speciaal met uitjes hebt gegeten, terwijl je diep diep diep van binnen stiekem ook wel weet dat het niet van zoenen gaat komen, vanavond.
Je wilde dat je jong, knap, niet kaal, onweerstaanbaar en grappig was, zoals vroeger.
Ze maakt geen aanstalten om jullie gesprekje voort te zetten en je voelt je ongemakkelijk, omdat ze je schaamteloos en liefdeloos bekijkt.
‘Sorry,’ zeg je zacht.
‘Waarom?’ vraagt ze.
Je bent even stil en bedenkt wat je moet zeggen, maar ze is je voor.
‘Omdat je tegenover me bent gaan zitten en hoi hebt gezegd?’
‘Ja. Dat,’ mompel je.
‘Ik heet Sas,’ zegt Sas.
‘Wouter.’
‘Waar moet je heen, Wouter?’
Je smeekt om een geniale inval, maar je stamelt: ‘Nergens.’
Sas lacht en wil zeggen dat je een rare, oude, kansloze, vriendloze, vrouwloze, hopeloze man bent. Je houdt op met de schijn op te houden.
‘Ik vond dat ik met deze bus mee moest, omdat ik je interessant vond.’
Interessant. Stomme woordkeus. Je krabt weer op je hoofd –domme tic.
‘Jij dacht: dat is een lekker wijf, die palm ik wel even in?’
Ze verbaast je en omdat je toch niet dieper kan zinken, zeg je:
‘Ja.’
‘En hoe wou je dat doen dan, Wouter?’
‘Slijmen en cadeautjes kopen en doen of ik rijk ben.’
‘Loverboy.’
Je denkt aan wat je kinderen ervan zouden vinden als ze je zo zouden zien. Je dochter zou zich schamen – die leeftijd heeft ze – en je zoon zou er niets van snappen – die leeftijd heeft hij. Waarschijnlijk zou hij je überhaupt niet eens herkennen, als je hem zou zien.
‘Zal ik weer terug gaan zitten waar ik zat en doen alsof dit moment nooit heeft plaatsgevonden?’
Inmiddels doet de baarddragende man die verderop in de bus zit alsof hij jullie gesprek niet volgt. Dat mislukt jammerlijk, omdat hij, als je naar hem kijkt, vlug wegkijkt en jouw ogen hem doorboren, alsof je wil zeggen: ‘Houd je met je eigen zaken bezig, lelijk frutsel. ‘
Sas heeft je nog niet geantwoord en je staat op.
‘Ga zitten, Wouter. Ik vind je grappig.’
‘Ben ik ook.’
‘Hoe oud ben je?’
‘Veel te oud voor dit soort ontmoetingen.’
‘Je lijkt op mijn vader.’
Voor zover ze je nog niet had overtuigd van het feit dat ze je niet als lustobject zag, heeft ze dat nu wel gedaan. Je doet een klein poginkje om je te etaleren als leuke man:
‘Ze zeggen dat meisjes altijd vallen op jongens die op hun vader lijken.’
Ze gniffelt.
Je corrigeert jezelf: ‘Hoewel ik geen jongen meer ben.’
Was je maar een jongen. Je vraagt je af wat het was dat vrouwen vroeger in je beviel. Het moet niet je humor zijn geweest, want die is met de jaren niet veranderd. Het rauwe besef dat je alleen maar werd gezien als een mooi lijf, dringt tot je door en je trekt je slippers uit.
‘Slipperdragende man rand bloedmooi meisje aan,’ zegt Sas.
‘Bloedmooi en arrogant.’
‘Zelfbewust,’ zegt ze.
‘Zullen we bij de volgende halte uitstappen en samen dronken worden?’
Laatste stuiptrekkingen van een casanova.
‘Laten we dat doen, ik heb zin om te drinken.’
‘Meen je dat?’
‘Dat meen ik. Niet aan me gaan zitten. Je hebt geen piepjonge minnaressen nodig. Volgens mij kun je genoeg vrouwen van je eigen leeftijd krijgen.’
Je neemt het als een compliment en jullie stappen uit.

***

Man III

Daar sta je dan, met natte sokken in een dorp dat niet meer dan een verzameling verloren zielen en een café behelst. Alle spontaniteit lijkt verdwenen, opgezwolgen door dat ene moment in de bus, waarop je besloot samen dronken te worden. Zo sta je daar een aantal minuten, een pion op een speelbord – ‘Verplaats mij,’ roep je.
Sas trekt je de realiteit weer in.
‘Is dat een kroeg?’
‘Zo te zien wel.’
Jullie sloffen, weg te wuiven gedachten over je achterdeur die niet op slot is en de radio die nog aanstaat teisteren een kort moment je brein. De zon zakt als een klein kind in een moeras – dodelijk geleidelijk, degenen die voor het donker thuis moeten zijn, zouden haast moeten maken nu.
Je houdt de deur voor haar open en je hangt haar jas op.
Binnen hangt de sfeer van degelijkheid. Vrouwen met licht overgewicht, samen met hun mannen. Ze drinken een glas en gaan dan terug naar hun koophuis met bijpassende norfolk-terriër. Vrijgezellen met onmodieuze truien in primaire kleuren keuvelen over voetbal. Bier en bitterballen zijn hun geluk vanavond.
‘Waar was jij eigenlijk naar op weg?’
‘Huis.’ zegt Sas.
‘Wil je wat drinken?’
‘Ja. Whisky.’
Vrouwen die whisky drinken. Je siddert van perverse gedachten over hoe je die whisky uit haar lichaamsopeningen zou kunnen zuigen. Je bestelt een biertje.
‘Wat doe je voor werk, Wouter?’
‘Ik ben taxichauffeur. Studie niet afgemaakt, dan krijg je dat.’
‘Wat studeerde je?’
‘Recht.’
Je hebt geworsteld en verloren van de duizend dansende letters na ontelbare nachten naast vreemden.
Jullie drinken, je begrijpt dat je haar nu ook moet vragen wat ze doet, maar je verzuimt het.
‘Wouter?’
Je betrapt haar op gêne.
‘Ja?’
Je betrapt jezelf op een hoopvolle klank in je stem- alsof er wat te halen valt.
‘Waarom doe jij dit?’
‘Ik vertaal het even voor onze minder slimme kijkers,’ zeg je tegen je biertje, ‘Deze dame bedoelt te zeggen: hoe diep kan je zakken dat je op een zomerzondagavond met een volledig onbereikbaar meisje in een – sorry meneer de barkeeper – dodelijk saai café gaat zitten?’
Giechelen naast je.
‘Zo zou je het kunnen zeggen.’
‘Ik ben op zoek.’
‘Naar liefde?’
‘Geen flauw idee. Gewoon, op zoek. Ik heb nog overwogen een contactadvertentie te plaatsen met alleen de tekst: Mn zkt.’
‘Ik denk dat ik daarop gereageerd zou hebben.’
Je bier is op. Je hoort de deur achter je opengaan. Het klateren van stemmen, enthousiasme over huishoudelijke artikelen. Vrouwen. Je voelt je ramptoerist in dit dorp dat niet minder is dan een doorlopende plek des onheils – juist omdat er niets gebeurt is het aanwezig zijn in dit dorp een beklemmende bezigheid, je voelt jezelf verworden van mens tot vegetatie. Er komt drukt urine tegen de rand van je blaas.
‘Even naar de wc,’ zeg je.

Als je terugkomt is Sas er niet. Er ligt een briefje, haar whiskyglas en wat geld erop. Het glas laat een kring van vocht na, het geld een zweem van schaamte – ‘een vrouw die voor je betaalt, was je handen,’ denk je.
Het genot van een vrouwenhandschrift. Er staat:

Jij zocht? Achter je. Jouw leeftijd, jouw smaak.

Moet je het betreuren dat ze haar telefoonnummer niet heeft opgeschreven? Je denkt er even over na, bestelt bier en concludeert dat haar telefoonnummer, dus een verlenging van jullie relatie een verzwakking zou zijn. Zo intens onorthodox als het vandaag was, kan het nooit meer worden.

Je kijkt om. Jouw leeftijd. Jouw smaak. Je biedt haar (‘Ik heet Donna’) een wijntje aan en excuseert je voor je slippers. Ze lacht en legt haar hand op je arm. Aanraking. Ogen die naar je kijken, de jouwe die terugkijken. Het einde van een Odyssee.

***

Zonder titel

Jij stelt je op als prooi.
Hoe kan ik op je jagen, alleen klein wild heb ik gevangen en jij bent een antilope zonder mededogen. Je kent mijn vegetarische grondslag en paradeert zorgeloos heen en weer, de loop van mijn geweer deinend op mijn trillende handen. Ik moet ontsnappen uit metaforen en een kogel afvuren.
Ik moet het knellende pak van hoffelijke heer naast me neergooien en naakt, als oermens, op je afstormen.
Ik schiet niet, omdat ik weet dat ik je altijd mis. Jij, antilope, ontwijkt iedere logge kogel. Ik kan je alleen raken als ik niet meer tril, maar jij zorgt ervoor dat mijn lijf een golfslagbad is. Je bent als de stripster die zwoeler dan alle anderen haar kleren aanhoudt, het idee opwekt de beschouwer te bedelven onder vrouwenvlees en dan met al haar kleren aan koel een sigaret opsteekt terwijl het zaallicht aanknipt.
Hoe graag ik ook wil dat het stopt, de metaforen dansen door, omdat ik niet kan schrijven over jou. Ik kan moeilijk zeggen dat ik jouw lijf om het mijne wil, dat ik me dierlijk op je wil werpen, dat ik in jou een eruptie wil veroorzaken.
Dat zou plat zijn, terwijl alles aan jou rond is, vrouw, je lijf en je ziel.
Wat zou het makkelijk zijn als ik mijn roze bril kon verpulveren onder de zolen van mijn vertrapte schoenen, als ik naar je kon kijken en zou zien dat ik sneller kon krijgen wat ik wilde bij iemand anders. Die bril kan niet af, want Eros is nietsontziend, bijna net zo meedogenloos als jij.
En jij?
Jij slaapt nu likkebaardend van plezier in, want je weet dat aantrekken en afstoten aantrekkelijker is dan alleen maar aantrekken.
Ik hoop dat je zoet droomt.

Droom

Vannacht was het erg, vannacht was ze er de hele tijd en dan heb ik het niet over het clichébeeld van een vrouw die door een droom rent met een lange, witte jurk en een zachte huid.
Ik heb het over de vrouw die overal opduikt en mij negeert.
Ik schreeuw om haar aandacht, ze hoort me niet.
Als ik dan dichterbij ga staan, weet ik zeker dat het niet aan haar ligt, maar dat zij doof is voor mijn stem, dat een of ander belachelijk godsbesluit ervoor heeft gezorgd dat alles wat ik zeg niet hoorbaar is voor haar.

Nadat ik met een steen in mijn maag mijn blaas heb geleegd en in het nog warme bed stap, val ik weer in slaap en verdomme, daar is ze weer.

In mijn achtertuin verschijnt ze, en vrolijk legt ze me uit dat ze haar ware liefde heeft gevonden, dus dat ik me daar maar in dien te schikken, stikken in mijn zelfmedelijden.
Verbouwereerd geef ik mijn opvolger als Grote-Ware-Liefde een hand.
‘Dag, ik ben Grote Liefde.’
‘Ha, ik ben Grote-Liefde-Af. Veel plezier.’
Fijn dat je het zo sportief opneemt, zegt ze.
‘Natuurlijk,’ zeg ik.
Misschien, denk ik, misschien als ik het nu sportief opneem, komt ze ooit bij me terug.

Dan zijn er dromen van jeugd, van rondzwervingen en is er diepe, droomloze slaap.
Ze komt terug.

In een stad die niet bestaat, maar waarvan ik zeker weet dat ze de mijne is, kom ik haar tegen.
‘Heb je het niet warm?’ vraagt ze.
‘Ja,’ zeg ik. Ik trek mijn vest uit.
Ze barst in lachen uit, want onder mijn vest draag ik een groen shirt met bloemetjes – het stomme is dat ik dat T-shirt in het echt ook heb, het enige kledingstuk waarvan mijn vader heeft gezegd dat het pijn aan zijn ogen doet.
‘Ga je mee?’ vraag ik nonchalant.
‘Nee,’ zegt ze evenzo nonchalant.
Alsof het twee buren betreft die een inhoudsloos gesprek hebben.
(‘Zijn dat begonia’s?’
‘Nee.’)
Dan loopt ze weg, ik ren achter haar aan, maar mijn benen doen het niet. Zij wandelt, maar blijft me moeiteloos voor.

Dromen zijn maar dromen, maar onze dromen zijn meer dan dromen.
Het is me te vaak voorgekomen dat zij droomde wat mij bezighield en dat ik droomde wat zij op haar boterham had. Vandaag wil ik haar zeggen dat ik van haar hou en dat dat het enige op de hele wereld is waar ze nooit aan moet twijfelen.
Wat hoop ik dat zij me dan een kus geeft en me laat voelen wat liefde is.
Liefde.
Ha!
De steen in mijn maag is niet weg.
De liefde ook niet.
Die blijft, al schopt ze, al slaat ze, al maakt ze me stuk.

Niets

Er is iets mis met mij. Ik claim persoonlijkheid, charisma en gogme te hebben, maar het is allemaal een façade. Als ik binnenkom en mijn naam schreeuw is dat, omdat dat makkelijker is dan individueel iedereen te begroeten.
‘Zo, wat ben je open en sociaal,’ roepen ze dan.
Nee, verdomme, niets van dat. Het is een façade. Haal hem neer, alsjeblieft want ik kan mezelf niet tegen me in bescherming nemen. Ik ben als iemand die jarenlang drugsverslaafd is: sluit me alsjeblieft op en laat me nooit meer met drugs in aanraking komen, want ik maak mezelf kapot als ik blijf gebruiken.
Zo is het bij mij, met het enige verschil dat ik geen drugs gebruik, maar dat ik veins sociaal te zijn: prik die roze ballon kapot, schop me en lach me in mijn gezicht uit, want ik maak mezelf kapot als ik me blijf gedragen zoals ik dat doe.
Dat gedrag is niet het eigenlijke probleem, het eigenlijke probleem is dat ik zeg machteloos te zijn, zodat ik achterover kan gaan zitten en de wereld voorbij kan laten gaan. Met mijn zogenaamde spontaniteit kan ik een walnoot van een boom plukken, maar ik kan hem niet kraken, omdat ik op het moment dat ik de noot in mijn handen heb, terugdeins. Dan valt spontaniteit weg en is er spanning.

(Natuurliefhebbers, de walnoot was overdrachtelijk bedoeld, ik weet ook wel dat walnoten pas rijp zijn als ze van de boom gevallen zijn).

Door dit soort dingen te schrijven, houd ik het probleem in stand. Ik neem afstand, bekijk de zaak rationeel en pretendeer alles te weten, zonder in werkelijkheid iets te doen aan mijn probleem. Wijze theoreticus, ben ik ooit genoemd. God wat zou ik graag een domme pragmaticus zijn.

Zit ik dan, in mijn te kleine kamertje veilig achter mijn beeldscherm te oreren over dat ik allemaal zo goed weet wat er aan de hand is en wat ik er aan kan doen. Opschrijven van dingen hoort te helpen, maar het enige dat het nu doet is me afbreken. Ik analyseer me een ongeluk, om de aandacht van de simpele praktijk af te helpen. Want Jezus, wat is de praktijk simpel. De praktijk is dat er een bang, rillerig mannetje niet over zijn drempel heen durft te stappen, omdat hij niet weet wat er in de kamer achter de drempel is. Ondertussen wel lezen over de kamer, schrijven over de kamer, dromen over de kamer, maar als puntje bij paaltje komt blijft hij liever op de gang zitten. Hij danst in de gang, bekijkt zichzelf in de spiegel die in de gang hangt, geeft zijn spiegelbeeld een stoere blik en is koning van de gang.
Tegenover dat bange rillerige mannetje, kan jij nog zo lief zijn, maar die drempel blijft eng.
Nee, het ligt niet aan jou.
Jij bent…
Ik kan nu allerlei beschrijvingen gaan maken, maar je weet ook dat ik dan zal verzanden in mijn gebruikelijke clichés en lofzangen.
Om te kotsen.

***

Trein

In de trein kunnen er leuke gesprekken ontstaan. Die ontstaan bij mij hoogst zelden, omdat ik daar geen behoefte aan heb. De trein is namelijk een geweldige plek om te fantaseren. Geheel in mijn eigen wereldje door troosteloos landschap razen, dat is met de trein reizen voor mij. Het moet lullig weer zijn, om de treinreis te vervolmaken. Als ik pittoreske landschappen beschenen zie worden door een blakende zon, is er niets aan. De koeien moeten ongeïnteresseerd herkauwen, terwijl er van die slijmerige, ranzige regen op hun flanken valt. Langs het spoor liggen altijd moestuintjes, waar nooit iemand in werkt. Ze stralen verlatenheid uit, en iedereen ziet meteen dat niemand de groenten die er groeien, wil eten. Conducteurs moeten ook chagrijnig zijn, anders is een treinreis zinloos. Ze moeten niet lachend de coupé binnenkomen en grapjes maken. Joviale conducteurs zijn alleen leuk als ik met een groepje dronken mensen ben, maar dat ben ik praktisch nooit. Zeker niet in de trein, in de trein moet ik alleen zijn, zodat ik meewarig naar nietszeggende stations kan staren. Tijdens een goede treinreis is het ook noodzakelijk om veel en vet te eten. De combinatie dubbele cheeseburger- zakje M&M’s- halve liter cola doet het altijd goed.
Voedsel waarbij ik tijdens het eten ervan de puistjes al voel verschijnen.
In die categorie moet je het zoeken als je je treinreis ideaal wilt maken.
Ik vind het het fijnst als er in de stoel waarop ik zit een ondefinieerbare vlek zit. Zo’n vlek die niet meer afgeeft, maar die een kleur heeft die ik niet kan benoemen. Ook moet er een vies luchtje hangen in de coupé. Een luchtje dat ik, net als de vlek op de stoel, niet kan thuisbrengen, maar dat het midden houdt tussen een oudemensenscheet en hondenbraaksel. Maar dan uiteraard milder, een geur die me af en toe onaangenaam kietelt, maar verder schittert door afwezigheid. Het is daarnaast noodzakelijk dat iemand in de coupé zijn mp3-speler te hard heeft staan. Een continue beat, die me vaag bekend voorkomt, maar die ik niet kan thuisbrengen. In zo’n treinstel moeten dan meerdere verdachten zitten, zodat ik me over het asociale gedrag van al die mensen lekker kan opwinden, terwijl ik nog een M&M eet. Er horen ook geen mooie meisjes in de trein te zitten. Die leiden alleen maar af van de zelfkant van een treinreis door het soms zo glorieloze Nederland.
Als een treinreis aan al die aspecten voldoet, is ze goddelijk.
Dan kan ik eindeloos fantaseren over utopische toekomstbeelden en meisjes die ik ooit had willen kussen of ooit wil kussen.
Er schieten dan zinnen uit mooie boeken door mijn hoofd.
(Aan het stuur zaten jongens met grimmige inteeltkoppen en haar aan de binnenkant van hun handen.)
Songteksten van mooie liedjes doorklieven mijn gedachten
(You can’t fight the tears that ain’t coming.)
Hele romanpersonages ontstaan in mijn hoofd, personages die de treinreis niet overleven, omdat ik ze bij het uitstappen al weer vergeten ben. Met vriendelijke welgemeende dank aan het fenomeen overstapstress.

Heel af en toe probeert iemand een gesprek met mij aan te gaan. Ik luister altijd muziek in de trein, dus degenen die mij aanspreken zijn zonder uitzondering mensen van voor de iPodgeneratie. Jongeren druipen namelijk normaliter af bij het zien van twee dopjes in mijn oren. Als oudere mensen een gesprekje aanknopen, vraag ik altijd beleefd en met een opperbeste chocoladeglimlach:
‘Waar moet u heen?’
Als zo’n product van de vergrijzing dan plechtig antwoordt dat hij of zij – meestal zijn het vrouwen – naar Goëngahuizen, Swalmen of een ander uitheems oord moet, vloek ik zacht, omdat dat betekent dat ik de komende drie uur continu een gesprek met diegene moet voeren. De Gouden Regel is namelijk dat gesprekken, eenmaal begonnen, nooit mogen stoppen, tenzij je het eindstation hebt bereikt.
Als we vele overleden ouders, impotente kinderen en bedlegerige huisdieren verder op de plek van bestemming arriveren, neem ik altijd hartelijk afscheid
(En nou die trein uit, wandelstokconsument).
Sommigen vragen mijn telefoonnummer, in dat geval heb ik geen telefoon. Internet? Ook niet. Uit overtuiging? Ja, uit overtuiging.
(Ik ben er namelijk van overtuigd dat het mijn leven niet gaat verrijken als u mijn e-mailadres heeft, grijze truiendrager.)

Mensen die mij aanspreken in de trein, verpesten zo het genot van eenzame zinloosheid. Het is heerlijk om in zo’n trein te snel cola te drinken, daar de hik van te krijgen, en die hik weg te werken met een enorme hap van mijn inmiddels afgekoelde dubbele cheeseburger, terwijl ik filosofeer over de zin van het leven.
In treinen is mijn conclusie altijd dat het leven zinloos is. Kijkend naar lelijk geschilderde boerderijen, de ondefinieerbare stank opsnuivend terwijl de conducteur achteloos mijn kaartjes knipt – en er zit verdomme nooit een lekkere jongedame in de trein – kan ik niets anders concluderen dan dat het leven zinloos is. Net zo zinloos als de dichtgeschroefde asbakken op de armleuningen van treinstoelen.

***

Insomnia

Mijn dromen verstikken me.
Freud zei dat dromen je onderbewuste weergaven.
Ha!
Die Freud.
Volgens mij worden ze gewoon ingefluisterd door monstertjes
Ik word er waanzinnig van.
Ze fluisteren en ze fluisteren, tot ze me hebben kapotgemaakt.
Tot ik ga denken dat het fluisteren de waarheid is.
Tot het enige waar ik voor leef, het gefluister is.
Ze fluisteren dat ik diep, diep van binnen psychopathisch ben.
Ik hoor hoe ze me gek maken, ik weet dat ik ze moet negeren, maar er is altijd nog die stem in mijn achterhoofd, die zegt: ‘Denk aan Freud. Dromen zijn je onderbewuste. Wat je droomt ben je zelf.’
Was ik maar een idioot.
Was ik maar een zwakzinnige.
Dan wist ik dat niet, van Freud.
Dan lachte ik om de stemmen.
Ik zou mijn dromen zien als films, horrorfilms, dat wel, maar het zou toch een stuk draaglijker zijn.
De laatste nachten heb ik niet geslapen.
Telkens als ik mijn hoofd neerlegde, de smaak van zoete slaap bijna proefde, hoorde ik ze al, in de verte.
De stemmen.
Dan schrok ik zo heftig, dat ik rechtop ging zitten, en trillend wachtte tot de ochtend kwam.
En als die ochtend dan kwam, leefde ik in halfslaap, zag de wereld met halfopen ogen en liet me continu bijna verleiden tot het even neerleggen van mijn hoofd.
Even maar.
Al is het maar een minuut.
Dan begint het weer te zoemen.
Het begint weer te kraken.
Het begint weer te fluisteren.
Ik ben er klaar mee.
Vannacht moet ik slapen.
Vannacht moeten ze zwijgen, de monstertjes.
Vannacht wil ik geen pedofiel zijn.
Geen moordenaar.
Geen sadist.
Maar dat is niet het ergste.
Het doet pijn, maar het is niet het ergste.
Het ergste is dat jij niet bestaat in mijn dromen.
Elke avond hoop ik dat ik eindelijk eens van jou droom.
Het enige dat ik wil, is dat je je hoofd om de hoek van de deur steekt.
Dat die deur dan aan de rand van een kamer vol met lijken staat, maakt me niet uit.
Ik hoef alleen jouw gezicht te zien.
Of je stem, heel even je stem die me roept.
Dat is alles.
En elke keer voel ik me een verrader, als de monstertjes me een vrouw toebedelen.
Elke keer als ik van haar geniet, weet ik dat mijn onderbewuste jou bedriegt.
Ze krijgen me niet.
Ze kunnen fluisteren wat ze willen, maar ze krijgen me niet.
Als ze vannacht weer fluisteren, als ze fluisteren dat de echte ik om te janken zo gewetenloos is, om te schreeuwen zo naar, om te sterven zo lelijk van binnen,
dat de echte ik jou niet bemint,
niet echt, niet oprecht,
als ze dat weer fluisteren, dan komt er helemaal geen volgende nacht.
Dan maak ik er een eind aan.
Misschien word ik dan zelf een van die wezentjes.
Als dat zo is, dan zal ik tegen je fluisteren.
Ik zal fluisteren tot je gek wordt.
Tot je kapot gaat.
Tot je zo moe bent van het vechten tegen de slaap, dat er nog maar één ding is waar je naar verlangt.
De dood.
En als die intreedt, dan zijn we samen.
Dan eindelijk samen.
Zonder monstertjes tussen ons in.



  1. Leander,
    Hoewel ik je nooit meer schrijf heb ik je hele site leeggelezen en wacht ik op meer. Veel meer:)

    Gefeliciteert met je verjaardag trouwens, jongen. Sorry, correctie, man.

    J.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s


Over

DSC_7431
Ik heet Leander en ik ben twintig jaar. Pretendeer te kunnen schrijven, schrijf graag en wil daar ook graag feedback op. Wat ik schrijf vind je op deze site, netjes gecategoriseerd en op datum gezet. Dus lees, geniet en bewonder of beledig!


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.