Drie dwazen

I
Vruchteloos blèrend marcheert de eunuch voort, zijn onderlip pulseert als hij ‘Pfoe,’ roept. Niemand kent hem, hij kent niemand behalve de vrouw die hem uit haar wierp.
Niet echt.
Hij snapt de wereld niet, heeft haar nooit gesnapt.
Wel heeft hij moeite gedaan, weken besteedde hij aan het lezen van wat de rest ‘leuke tijdschriften’ noemde. Hij las over menstruatie en ‘de eerste keer,’ maar hij heeft nooit begrepen wat er zou gebeuren bij zo’n eerste keer.
Hij werkt, dat wel.
Schoonmaak van dingen die hij meestal lelijk vindt, omdat ze hard en van plastic zijn – hij houdt van zachte dingen.
Soms werkt hij maanden niet, die maanden heeft hij dan nodig om uit te vinden waarom zijn ogen blauw zijn of waarom duiven nooit zo mooi zingen als de zanger van dat liedje dat hij laatst hoorde (namen onthoudt hij niet).
Dan gaat hij op veldonderzoek. Kijkt naar andere mensen met blauwe ogen, kijkt naar duiven of kijkt naar zijn navel.
Zeven weken heeft hij besteed aan het uitvinden van de etymologie van het woord navelstaren. Natuurlijk had hij ook in het woordenboek kunnen kijken, maar dat zou te makkelijk zijn. Bovendien vertrouwt hij het woordenboek niet, hij vertrouwt niets, niemand. Nu loopt hij al acht dagen roepend door de straat, tot iemand hem een schreeuwlelijk noemt. Pas als dat is gebeurd, kan hij weer werken. Anders staat hij de hele dag schoon te maken terwijl zijn hersenen hem continu afleiden.
Hij móet uitvinden hoe populair het woord schreeuwlelijk is, anders kan hij niet slapen.

II
De eenzame harlekijn negeert het getrompetter van de bosneger; de straatmuzikant blaast voor zich uit, omdat achter zich uit blazen niet kan: dan zou zijn mond in zijn achterhoofd moeten zitten. De harlekijn dendert voort, voorbij de bosneger, van waarheid naar waarheid, gehinderd door kennis noch beren op de weg.
Het asfalt glinstert in de nachtzon, iedereen draagt gebroken glas met zich mee. De frituur pruttelt tot de dagzon opkomt.
Het gewauwel van de harlekijn verstiert geen liefde, verstoort geen haat.
De respectloze mannen die elkaar op hun respectievelijke bek dan wel in hun gerespecteerde kloten slaan, omdat hun aderen vol zijn van buitenlands gedestilleerd, negeren de tetterende harlekijn.
Hij staat autistisch voor zich uit te wauwelen in een zelfverzonnen taal. De woorden kloppen niet, maar de klanken spreken tot de verbeelding, het probleem is alleen dat de verbeelding niet terug praat. Mayonaise vermengd met lauw pils geeft de straattegels hun vergane glorie terug: niet langer zijn zij te min voor duiven om op te schijten.
Op die tegels staat de harlekijn buiten de maat iets te doen wat hij zelf dansen zou noemen, anderen noemen het in het gunstigste geval een epileptische aanval. De harlekijn had zich de hele avond voorbereid op zijn getetter: met lippenstift van een merk bekend van TV heeft hij zijn smoelwerk vol gesmeerd, om de schijn van artisticiteit op te houden. De rol van harlekijn past hem goed, zelfs zonder make-up lachte iedereen hem recht in zijn rug uit. Achter zijn gezicht om, werd er op hem gespogen en iedereen maakte hem wijs dat niet speeksel, maar een verdwaalde regendruppel de weg naar zijn lijf gevonden had.

III
De plompverloren jongere schrijft een verhaal over twee dwazen. Niet over een jongen en een meisje, want daar weet hij niet veel van. Wat hij erover denkt te weten, schrijft hij niet op, omdat het nog moet rijpen in dat hoofd van hem.
De nasmaak van lange nachten droogt zijn mond uit. Als hij op zijn hoofd krabt, voelt hij dat zijn huid slechter aan het worden is: hij krabt een puistje open, smeert bloed en pus aan zijn broek.
’t Is nacht, de tijd dat iedereen stil is, behalve hij. Zijn schrijven is als toiletbezoek: hij heeft er geen zin in, maar de aandrang is er.
Dan maar een verhaal over twee dwazen, dan lijkt hij zelf nog wat (een kunstenaar, misschien, of een gevoelige jongen). De dwazen die hij beschrijft, hij heeft ze nooit gezien. Sterker: ze bestaan waarschijnlijk niet. Twee fantasievriendjes die de nacht wat lichter maken.
De zelfkant van het leven is een dankbaar onderwerp: ver van zijn bed, waarin hij te weinig heeft geslapen.
Hij tikt woorden die hij zelf niet snapt, tot ze onzinnen vormen.
Dan sluipt hij richting slaap, weg van de dwazen.


Over dit bericht