Dit is geen kunst.

Ik vind je leuk en de tijd wil dat ik dat aan mijn papier toevertrouw. Ik vind het leuk hoe jij je tanden laat zien, waardoor alle parels van de wereld verbleken als een albino bij een neger. Ik vind het leuk hoe je me aanraakt, met de charme van een vrouw, maar de hartslag van een meisje. Ik vind het leuk dat je jurkje de nacht kan dwingen om de zon toe te laten. Ik vind het leuk dat je ruikt naar bloemen die nog niet bestaan, omdat de evolutie daarvoor niet ver genoeg gevorderd is.
Wanneer ik zeg dat er geen bed op aarde bestaat dat ik niet met je zou willen delen, beroep ik me op mijn dichterlijke vrijheid.

Vanmorgen scheen er zon te zijn, ik merkte dat niet, want ik sliep mijn schrijversroes uit. Dat is de roes van een avond schrijven zonder nuchter te zijn. Met alle hoofdpijn die een kater onvergetelijk maak, las ik mijn maaksel terug. Het was niet hemelstrelend genoeg om gelezen te worden door iemand anders dan ik (en mijn moeder). Ik had gedicht over je oren, je mond, je neus, je haar en zelfs over je grote teen. Het was een lang gedicht geworden dat rijmde.
Bah, rijmende gedichten. Ze zijn als aardbeienijs: vruchteloos.
Zelfs na mijn ontbijt had ik honger, mijn maag klopte in mijn buik en vroeg me om jou.
Ook wanneer het me doodt, wil ik jouw lippen aan de mijne voorstellen. Ik hoop dat het een lange introductie zal zijn, waarbij er tijd is om tussendoor een sigaretje te roken.
Meisjes die roken, laat ik er niet over beginnen, want ik zal pas stoppen als mijn handen door reuma en lepra zo aangetast zijn, dat ze van mijn polsen vallen en een eigen leven beginnen als vertegenwoordigers in handzeep.

Mijn voeten steunen op een sinaasappelkistje. Ik zou het liefst zien dat jij je onder dat kistje verstopt had en je uitvouwde als een oneindig dik opgemaakte circusartieste die een koffer uitkruipt, maar ik weet dat je daar niet lenig genoeg voor bent. Toch pas je in een circus, omdat je onwerkelijk en magisch prachtig kan zijn. Het enige dat je hoeft te doen is paraderen door het zand van de piste en af en toe je tong uit je mond steken. Voor zo’n circus ben ik bereid zeven maandlonen te betalen.

Vertel me niet dat het zinloos is dat ik dit schrijf en dat ik moet stoppen, want ik stop pas wanneer je me vertelt dat je meer naar me verlangt dan een alcoholistische zwerver naar een passant verlangt die zijn halflege biertje aan hem aanbiedt.
Jij hoort naast me te zitten op deze geïmproviseerde bank, je hoort je schoenen in een hoek van mijn kamer gesmeten te hebben, je hoort me zuurtjes te voeren terwijl je hoofd op mijn schouder leunt.
Ik moest dit kwijt, ik hoop dat je me vergeeft dat het minder gestroomlijnd, minder spitsvondig is dan mijn andere schrijfsels. Slechts mijn gevoel leidt mijn vingers over het toetsenbord, er komt geen hersencel aan dit schrijfsel te pas.
Het zou een mooie afsluiting zijn als ik zou schrijven dat ik je hele lijf wilde kussen voor ik ging slapen, maar dan zou je kunnen denken dat ik ordinair ben.
Dat doe ik dus niet.
Ik sluit af met te zeggen dat ik in elke hoofdstad van Europa alle straten onze naam wil geven (is dat een beetje romantisch? Ik dacht van wel.).


Over dit bericht